1 / 44

Het zenuwstelsel

Het zenuwstelsel. FUNCTIE. Het doorgeven van de informatie over situaties binnen en buiten het lichaam. Het integreren van die informatie. (Dat is het interpreteren van de informatie die door de sensoren naar de hersenen wordt gezonden.)

glora
Download Presentation

Het zenuwstelsel

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. Het zenuwstelsel

  2. FUNCTIE • Het doorgeven van de informatie over situaties binnen en buiten het lichaam. • Het integreren van die informatie. (Dat is het interpreteren van de informatie die door de sensoren naar de hersenen wordt gezonden.) • Het geven van opdrachten voor een reactie van de spieren en klieren.

  3. Het zenuwweefsel • Opgebouwd uit • Neuronen of zenuwcellen • Gliacellen of steuncellen • Bescherming • Voeding • Afweer

  4. Zenuwcel of neuron • Zenuwcel heeft de volgende onderdelen; • Cellichaam met kern (geen deling) • Dendrieten: korte uitlopers die impuls naar cellichaam toe geleiden. • Neuriet of axon of zenuwvezel: (meestal)lange uitloper, die impuls van het cellichaam weg geleidt. • Liggen in het CZS beschermd door botten. • Geen vermeerdering • Gliacellen of steuncellen voeden en beschermen de neuronen.

  5. Neuron met een aantal synapsen

  6. Neuriet of axon of zenuwvezel • Axon kan zeer lang zijn, onvoldoende voeding door celkern • Neuriet is omgeven door myelineschede, soort witte isolatie, zorgt voor voeding en prikkelgeleiding • Met op regelmatige afstand insnoeringen. De insnoeringen van Ranvier .

  7. Prikkeloverdracht • Kleine elektrische stroompjes (impulsen) verplaatsen zich langs de zenuwvezels . (impulsgeleiding) • Gaat sneller langs zenuwvezels die door een myeline of mergschede zijn omgeven. • Via de knopen van Ranvier = sprongsgewijze prikkelgeleiding

  8. 1 = neuriet 2 = mergschede 3 = insnoering van Ranvier 4 = kern cel van Schwann 5 = schede van Schwann Via het overspringen van het elektrische signaal van de ene insnoering van Ranvier naar de volgende krijgen we saltatorische (sprongsgewijze) impulsgeleiding

  9. Synaps • Plaats waar overdracht van een impuls van een zenuwcel naar een andere zenuwcel of eindorgaan plaatsvindt. • Overdracht gebeurd door neurotransmitter vbdopamine, acetylcholine

  10. Centrale vs perifere zenuwstelsel

  11. Centrale zenuwstelsel • Grote hersenen • Kleine hersenen • Hersenstam • Tussenhersenen • Ruggemerg

  12. De hersenen

  13. Anatomie

  14. Hersenhelften • Van bovenaf bezien verdeelt een overlangs lopende groef, de fissuralongitudinalis, de hersenen in twee helften die met elkaar in verbinding staan: de linker en de rechter hersenhelft ofwel de hemisferen. Het buitenste deel van de hersenhelften bestaat uit een dun laagje neuronen dat de hersenschors of cortex wordt genoemd.

  15. Grote hersenen • De grote hersenen, het cerebrum, worden gevormd door de twee hersenhelften, met andere woorden door de hersenschors en de eronder liggende gebieden. Ze vormen samen met de kleine hersenen en de hersenstam onze hersenen. De grote en de kleine hersenen en de hersenstam zijn via de hersenzenuwen, het ruggenmerg en het perifere en het autonome zenuwstelsel met het lichaam verbonden.

  16. Hersenwindingen en groeven • De hersenschors heeft een sterk geplooid oppervlak. Er zijn  ondiepe (sulci) en diepere groeven (fissuren), en hersenwindingen, (gyri). Een gyrus is het verhoogde gedeelte tussen de groeven ofwel de plooi. De vele windingen en groeven zorgen ervoor dat het oppervlak sterk vergroot wordt zodat er veel neuronen in een kleine ruimte passen. Het patroon van groeven en windingen is bij ieder mens weer anders. Groepen van windingen vormen de kwabben.

  17. Hersenschors Grijze stof en .....De buitenkant van de grote hersenen wordt bedekt door de hersenschors: een laag grijze stof,  twee tot zes millimeter dik, die uit dicht opeengepakte cellichamen van neuronen en hun steuncellen bestaat. .....witte stofVlak daaronder, binnenin de hersenen, bevindt zich de witte stof. Dit zijn de uitlopers van de neuronen, de neurieten, waardoor de diverse delen van de hersenen onderling en met het ruggenmerg verbonden zijn. De witte kleur is het gevolg van de isolerende laag steuncellen waarmee de axonen omgeven zijn: de myelineschede. Via deze neurieten communiceert de hersenschors dus met andere gebieden. In de hersenschors vinden de complexere hersenfuncties plaats, zoals bijvoorbeeld taalgebruik of logisch denken.

  18. Elke hersenhelft is opgedeeld in vier kwabben met belangrijke functies: de voorhoofdskwab, de wandbeenkwab, de achterhoofdskwab en de slaapbeenkwab. De vier kwabben zijn genoemd naar de  schedelbeenderen waaronder ze liggen. Enkele diepere groeven vormen de grens tussen de kwabben.

  19. Voorhoofdskwab • In de voorhoofdskwabben wordende lichaamsbewegingen aangestuurd, worden gedachten verwerkt, problemen opgelost en wordt geredeneerd.

  20. Wandbeenkwab De wandbeenkwabben registreren en interpreteren onder andere lichamelijke gewaarwordingen zoals bijvoorbeeld temperatuur, pijn , huidgevoelen tast. Reacties en gecompliceerde bewegingen worden er aangestuurd.

  21. Achterhoofdskwab • In de achterhoofdskwabben worden de visuele prikkels opgevangen en verwerkt.

  22. Slaapbeenkwab In de slaapbeenkwabben bevindt zich het gehoorcentrum, het geheugen en de centra die betrokken zijn bij taalbegrip, taalverwerking en spreken.

  23. Kleine hersenen De kleine hersenen, het cerebellum, liggen onder de achterkant van de grote hersenen. Net als de grote hersenen zijn ze sterk geplooid en wordt de buitenste laag gevormd door een laag grijze stof, de hersenschors. De kleine hersenen spelen een rol bij beweging, evenwicht en oogbewegingen en kunnen bewegingen corrigeren en aanpassen.

  24. Hersenstam De hersenstam ligt tussen de hersenen en het ruggenmerg. De hersenstam bevat centra die een aantal belangrijke inwendige functies van het lichaam regelen, zoals hartslag, ademhaling, bloedsomloop en spijsvertering. Ook regelt de hersenstam bepaalde reflexen zoals slikken en braken. De hersenstam bestaat uit de middenhersenen, de pons en het verlengde merg.

  25. Middenhersenen De middenhersenen liggen bovenin de hersenstam. Ze zijn onder andere betrokken bij de werking van de zintuigen en bij motorische informatie. Ook houden ze zich bezig met reflexen.

  26. Pons De pons ligt in het middelste deel van de  hersenstam. Het is een bundel zenuwvezels die het contact onderhoudt tussen de grote en de kleine hersenen.

  27. Verlengde merg Het verlengde merg ligt vlak boven de wervelkolom en verbindt de hersenstam met het ruggenmerg. Hier worden signalen vanuit de hersenen via het ruggenmerg naar de rest van het lichaam doorgestuurd. Het is het kruispunt waar de zenuwbanen oversteken zodat de linker hersenhelft de rechterkant van het lichaam aanstuurt en omgekeerd. 

  28. Thalamus De thalamus ligt vlak boven de middenhersenen. Het is een gestructureerde groep zenuwcellen met als taak sorteren, interpreteren en doorsturen van sensorische gegevens, dat wil zeggen van informatie die door de zintuigen aan de hersenen wordt doorgegeven. De thalamus speelt een grote rol bij het doorzenden van de signalen naar de juiste gebieden. Het is een belangrijk schakelstation tussen ruggenmerg en middenhersenen enerzijds en de hersenschors en de betrokken hersengebieden anderzijds. 

  29. Hypothalamus De hypothalamus bestuurt de autonome lichaamsprocessen en handhaaft de balans in het inwendige milieu van het lichaam (homeostase). Hij is betrokken bij regulering van het autonome zenuwstelsel, het limbisch systeem en het hormonale stelsel. Het is een gebiedje vlak onder de thalamus, niet groter dan een suikerklontje, dat bestaat uit talrijke minuscule kluwens zenuwcellen. 

  30. Hypofyse De hypofyse is een klier ter grootte van een erwt die aan de onderkant van de hersenen hangt en betrokken is bij de hormoonhuishouding, direct en indirect. Direct doordat de hypofyse hormonen afscheidt die rechtstreeks invloed hebben op andere klieren. Indirect doordat hij bepaalde klieren aanzet  tot hormoonafscheiding.  De hypofyse wordt aangestuurd door de hypothalamus die de hele hormoonproductie coördineert en is daar via een steeltje mee verbonden.

  31. Het limbisch systeem is niet één afzonderlijk deel van de hersenen, maar bestaat uit een aantal onderling verbonden gebieden ervan. Het ringvormige systeem ligt rond de bovenkant van de hersenstam. Het heeft zowel verbindingen met de hersenschors als met de hersenstam. De hippocampus, de hypothalamus en een deel van de thalamus maken onder andere deel uit van het limbisch systeem. Het limbisch systeem is betrokken bij onbewust, instinctief gedrag, bij emoties en stemmingen en bij de lichamelijke reactie daarop. Maar ook bij regulering van de emotionele reactie. Daarnaast is het betrokken bij leren en geheugenwerking, en bij het reuksysteem.  Het limbisch systeem combineert 'primitievere' hersenfuncties zoals instinctief gedrag met 'complexere' hersenfuncties zoals het bijsturen van emotionele reacties. Het is evolutionair gezien het oudste deel van de menselijke hersenen.

  32. Hersenventrikels • 4 hersenventrikels met elkaar in verbinding: • 2 zijventrikels in beide grote hersenhelften • Derde ventrikel • Vierde ventrikel • Vierde ventrikel gaat over in het centrale kanaal van het ruggemerg. • Vierde ventrikel staat in verbinding met spinnenwebruimte.

  33. Hersenvocht • Wordt gevormd uit het bloed in de plexus choroïdeus (netwerk kleine bloedvaten) • Stroomt in ventrikels, centrale kanaal en in spinnenwebruimte • Wordt vanuit spinnenwebruimte terug in bloed opgenomen

  34. Hersenvocht

  35. Hersenvocht • Inwendige hersenvocht: • Voeding en zuurstofvoorziening omliggende zenuwweefsel. • Constante druk • Uitwendige hersenvocht: • ‘Stootkussen’ bij schokken van buitenaf en bij bewegingen van het hoofd zelf.

  36. Perifere zenuwstelsel • 12 paar hersenzenuwen • 32 paar ruggemergzenuwen • (Sympatische grensstreng)

  37. Perifere zenuwstelsel (groen)

  38. Impulsgeleiding • Gevoelszenuwen of sensibele zenuwen • Prikkels vanuit zintuigen via perifere sensibele zenuw naar ruggemerg en via gevoelszenuwbanen naar hersenen • Bewegingszenuwen of motorische zenuwen • Prikkels vanuit hersenen via bewegingsbanen naar ruggemerg, daar overschakeling op perifere motorische zenuw naar spieren

  39. Werking zenuwstelsel • Willekeurige zenuwstelsel (animale) • Autonome zenuwstelsel (vegetatieve) sympaticus parasympaticus

  40. Autonome zenuwstelsel

More Related